In gesprek met architect en Rijksbouwmeester Francesco Veenstra.

Architect en Rijksbouwmeester Francesco Veenstra zegt het vaak: ‘Het meest duurzame gebouw is het gebouw dat we niet bouwen’. Tegelijkertijd hamert hij erop dat we onze blik moeten verbreden. Niet alleen kijken naar de vervuilende bouwfase, maar ook naar wat er verbeterd moet worden binnen de gebruikersfase.

 

Zelf woont hij in een huis van honderd jaar oud. Het huis is geïsoleerd, heeft een warmtepomp en Francesco en zijn vrouw hebben verschillende verduurzamingsmaatregelen getroffen. Regelmatig discussiëren ze over hoe het nog duurzamer kan. Daarom noemt hij het frustrerend wanneer de politiek blijft steken in een visie die niet verder reikt dan 2030. Zelf kijkt Francesco namelijk vooruit naar het jaar 2100. Omdat toekomstige generaties bij de beslissingen van nu betrokken moeten worden.

Als Rijksbouwmeester ben je de lijm, maar moet je soms ook ongevraagd advies geven. Hoe pak jij dat aan? Ga je er wel eens met gestrekt been in?

“Eigenlijk is dat afhankelijk van het vraagstuk dat er ligt. Ik denk dat het belangrijk is dat je een scherpe opinie op een zachte manier laat landen zodat mensen er wat mee kunnen en willen. Ik denk dus heel goed na over het effect dat mijn team en ik met onze adviezen willen bereiken. En daarom geloof ik ook niet in het gestrekte been. Waar ik wel in geloof, is dat je altijd met elkaar verder moet om iets voor elkaar te krijgen. En dan gaat het in mijn geval niet alleen mijn achterban van ontwerpers en ook niet alleen om de burgers, rijksambtenaren of bewindspersonen waartoe we ons moeten verhouden. Dan gaat het vooral over mensen die nog geen stem hebben omdat ze nog niet geboren zijn. Het betrekken van toekomstige generaties bij strategische koersen van nu is wat mij betreft het allerbelangrijkste. Je staat voor een bepaalde zaak.”

 

Je zegt vaak: het meest duurzame gebouw is het gebouw dat we níet bouwen. Wat bedoel je daarmee?

“Het lijkt een simpele logica, inderdaad. Als je iets niet bouwt, stoot je ook geen CO2 uit. Tegelijkertijd kost de gebruiksfase van een gebouw meer energie dan de bouwfase. Willen we de wereld schoner en gezonder maken? Dan moeten we ons daar meer op focussen. Iedere vijf tot acht jaar stoot je als gebruiker van een woning namelijk evenveel CO2 uit als gedurende het hele bouwproces. Als je je dat realiseert, realiseer je je ook waar meer aandacht naartoe moet. Verder benutten we onze gebouwen niet goed genoeg. Op woensdagen en vrijdagen staan veel kantoorgebouwen in Nederland leeg, terwijl de verwarming gewoon doorloopt en we nieuwe gebouwen aan het bouwen zijn. Waarom zetten we die minder vaak gebruikte gebouwen niet in voor anderen? Om zo te voorkomen dat we nieuwe gebouwen neer moeten zetten? Dat vraagt om een ander en leniger soort denken. Bij politiek partijen, maar ook bij opdrachtgevers en gebruikers.”

 

We hebben een nieuwe bouwcultuur nodig, zeg je. Eentje waarin we verder kijken dan alleen bouwen en materialen. Hoe verander je als transitiemaker een, toch enigszins traditionele, bouwsector?

“Een transitie kost gewoon ontzettend veel tijd. Wanneer we kijken naar de bouwsector, zie je dat de ene wooncrisis na de andere wordt uitgeroepen. En hoewel het begrijpelijk is dat we problemen in de samenleving bombarderen tot crises, helpt het maar weinig. Want een crisis houd je maar een beperkte tijd vol, terwijl een transitie juist een proces van de lange adem is. Bovendien is het lastig te duiden wanneer het kantelpunt in de transitie precies valt. In die overgangsperiode moeten we dus volhardend zijn om onze doelen te bereiken. Wat wel goed helpt? Verhalen en narratieven die de verbeeldingskracht van mensen aanzwengelen. Dat werkt beter dan kant-en-klare oplossingen die mensen kunnen implementeren. Kijk naar de warmtepomp. Die bestaat al lang, maar wat kan die warmtepomp voor jou, de samenleving en de wereld betekenen? Als dat verhaal ontbreekt, zijn mensen minder bereid om het te omarmen of om het als een tussenstop in het transitieproces te zien. Ontwerpers, en in bredere zin kunstenaars, kunnen deze narratieven bieden.”

Wat zijn interventies die daarbij kunnen helpen?

“Je ziet de laatste tijd steeds vaker dat het architectonisch ontwerp binnen de bouw weer centraal wordt gesteld. Dat is belangrijk, want een mooi ontwerp zorgt ervoor dat gebouwen sterker worden gewaardeerd en hopelijk langer mogen blijven bestaan. De kunst is natuurlijk om de koplopers binnen de bouwsector en het hele peloton erachter mee te krijgen. Daar zijn andere overtuigingen, mechanismen en het opnieuw inslijten van patronen voor nodig. Zo zijn er veel meer aspecten waarbij we stil moeten staan bij het bouwen van huizen. Waar zouden de huizen het beste kunnen staan? Wie gaan de huizen precies gebruiken? Kunnen we de huizen gaandeweg aanpassen en optimaliseren aan de omstandigheden? Dat vraagt allemaal om verbeeldingskracht in het bouwproces. Als we echt naar een nieuwe bouwcultuur willen, dan gaat dat niet alleen om minder CO2, maar ook om het inzetten van ontwerpers om latere problemen al aan de voorkant op te lossen. Pas dan zet je in op kwaliteit en krijgt de gebruiksfase een centralere rol in de uiteindelijke realisatie van een woning.”

 

Wat zou je tegen jonge transitiemakers in de bouwsector zeggen?

“Natuurlijk kun je gaan werken bij bedrijven of overheden die dezelfde denkbeelden en idealen hebben als jij. Maar soms is het beter om vanuit een onafhankelijke positie verschil te maken. Dat vraagt om onafhankelijkheid en ondernemerschap, maar gelukkig zie ik steeds meer jonge mensen dat risico nemen. Mooi, want ik denk dat je als individu veel meer kunt bereiken dan wanneer je je aansluit bij een grote organisatie die misschien wel bezig is met de transitie, maar die het tempo dat we nodig hebben niet kan bijbenen.”

Zelf ben je ook maar gewoon een mens, net als elke andere transitiemaker. Hoe ga je om met frustraties wanneer het niet zo snel gaat als je zou willen?

“Ingewikkelde vraag! Het zit niet in mij om gefrustreerd rond te lopen, daar heb ik ook helemaal geen tijd voor. Er zijn te veel vraagstukken die om mijn aandacht vragen en daar ligt misschien wel het geheim. Ik bijt me niet in één aspect of onderwerp vast en daardoor raak ik ook minder snel van slag wanneer dingen niet lopen zoals ik zou willen. Dat is wellicht een mooi advies aan jonge transitiemakers in het veld. Wees proactief op verschillende vlakken en verdeel je energie goed. Soms werkt het om iets los te laten en later weer op te pakken wanneer de tijd rijp is en de impact groter kan zijn, bijvoorbeeld. Dat betekent niet dat ik de waarde niet inzie van ‘vastbijters’ binnen de sector. Mensen die zich focussen op een specifiek domein of deeldomein en volhardend hun boodschap uit blijven dragen. Ik zie het als mijn taak om hun verhalen een podium te geven en om hen te helpen hun werk te koppelen aan andere domeinen. Het is helaas nog niet heel gebruikelijk om het fysieke, sociale en financiële domein aan elkaar te verbinden, merk ik. Maar daar moeten we wel naartoe.”

Bologna: een inspirerend voorbeeld

“Bologna is een stad met ontelbare galerieën. Al vanaf de middeleeuwen zijn ze daar begonnen met optoppen om meer woningen te realiseren. Ondertussen is er meer dan 62 kilometer aan overdekte paden in die stad en het mooie is dat er wederkerigheid in ligt besloten. Zo houden woningeigenaren de stoepen waarboven ze wonen schoon en toegankelijk voor anderen. Dat zouden we in Nederland ook moeten doen. Een langdurige betrokkenheid creëren in de gebruiksfase van een woning, buurt of stad. En nadenken over hoe we ons verhouden tot elkaar en de plek waar we wonen, leven en onszelf ontwikkelen.”

Beluister de Podcast Duurzaam hoe dan?! hier

Wil je geen Podcast Duurzaam hoe dan?! missen?

Abonneer je dan hier via Apple Podcast.

Vind je deze Podcast waardevol? Beoordeel dan via Apple Podcast.